Winterverhaal

Winterverhaal

Op de een of andere manier heeft dit verhaal van een anonieme schrijver mij altijd aangesproken. Daarom deel ik het. Om nog even de sfeer te proeven van de winter.

Laat hierbij ook je aandacht uitgaan naar zwerfhonden in de kou en de organisaties die zich hun lot aantrekken en zich inzetten voor dierenwelzijn! Het is zo nobel! Kijk eens op de sites en help mee door te doen wat in je vermogen ligt. Ieder beetje helpt en kan net het verschil maken !

Stichting Botosani

Kos Animal Rescue Kos

Fundacion Benjamin Mehnert

 

“De kettinghond en de sneeuwman”

“Ik kraak helemaal van binnen, zo zalig koud is het”, zei de sneeuwman. “En dan nog die ijzige wind, die geeft je nog eens extra kracht om te leven! Alleen dat gloeiende ding daarboven, dat me zo aanstaart….” Met dat gloeiende ding bedoelde de sneeuwman de zon. Hij begreep maar al te best dat ie van de zon niet veel goeds te verwachten had. “Maar hij zal mij geen traan zien wegpinken”, dacht hij flink. Als ogen had hij twee driehoekige scherfjes van een dakpan in zijn hoofd, een stukje hark diende als mond waardoor hij ook meteen tanden had. Hij was een deftige sneeuwman en dat wist hij. Hij was geboren onder luid gejuich van kinderstemmen en vrolijk hondengeblaf, die hem welkom hadden geheten op deze wereld. De zon ging onder en de volle maan klom op aan de blauwe hemel, rond en groot, helder en licht. “Daar is dat gloeiende ding weer, maar nu van de andere kant”, zei de sneeuwman, die niet beter wist. Daar kon hij niets aan doen, hij was immers pas 1 dag oud. “Dat doordringende gestaar heb ik haar tenminste afgeleerd, zo mag zij wel blijven hangen en een beetje licht geven zodat ik mijzelf kan zien. Kon ik mij nu maar wat bewegen daar zou ik wel zin in hebben. Dan zou ik die ijskoude glijbaan afglijden, zoals de kinderen dat deden. Maar ik kan niet lopen”. “Weg, weg”, blafte de kettinghond. Hij was een beetje schor, omdat hij vroeger  binnen had gelegen voor de kachel. “De zon zal je wel leren lopen, dat heb ik bij je voorganger gezien, verleden winter en bij de voorganger de winter daarvoor”. “Weg, weg en weg zijn ze allemaal”. “Ik begrijp je niet”, zei de sneeuwman, “moet de bleke bet daarboven me leren lopen?” Hij bedoelde de maan. “Zij kan inderdaad lopen, ze nam de benen toen ik haar strak aankeek en nu komt ze er van de andere kant weer aan”. “Nou jij weet ook nergens van””, zei de kettinghond. “Je kunt wel merken dat je vandaag pas in elkaar bent geplakt. Wie je daar ziet is de maan. De zon komt morgen weer en die zal je wel leren lopen. Er is ander weer op til, ik voel het in mijn linker achterpoot”. “Ik begrijp hem niet”, dacht de sneeuwman, “maar ik heb het gevoel dat hij iets akeligs vertelt”. “Dat ding dat mij zo aanstaarde en dat hij de zon noemt, dat is vast geen vriendin van mij. Daar heb ik zo’n voorgevoel van”. “Weg, weg”, blafte de kettinghond en draaide driemaal zijn staart achterna en kroop in zijn hok. Er kwam inderdaad ander weer. Tegen de morgen lag er een dikke laag nevel over de velden. Later stak er een ijzige wind op en toen vroor het dat het kraakte. Maar wat was het prachtig toen de zon opkwam. Bomen en struiken waren beijzeld, het leken wel dichte wouden van witte koralen en ieder twijgje zag eruit alsof het volop in bloei stond met een stralende witte bloesem. Al die honderden takjes en twijgjes, die je ’s zomers onder het gebladerte niet kunt zien, tekenden zich nu duidelijk af. Het leken wel witte glinsterende spinnenwebben, zo ragfijn waren ze tussen de grote takken gespannen. Het treurberkje wiegde op de wind en klingelde heel zachtjes. Het was onbeschrijflijk mooi buiten. Toen steeg de zon hoger aan de hemel en alles flonkerde en flitste als diamantgruis. Grote briljanten bedekten de bodem en zij straalden een licht uit, witter dan sneeuw. Je zou eigenlijk zeggen dat er ontelbare piepkleine lichtjes brandden op de grond. “Kijk toch eens, wat schitterend!” riep een meisje uit, dat met een jongeman de tuin inkwam. Zij bleven samen staan vlakbij de sneeuwman en keken naar de glinsterende bomen. “Zoiets moois zie je zelfs in de zomer niet”, zei het meisje met stralende ogen. “En zo’n knaap als die daar zie je dan zeker niet”, zei de jongeman en wees in de richting van de sneeuwman. Zij schoten beiden in de lach en knikten hem opgewekt toe, toen gaven zij elkaar een hand en dansten er vrolijk op los, boven op het sneeuwtapijt dat kraakte en sputterde. “Wie waren dat?” vroeg de sneeuwman aan de kettinghond. “Jij bent hier langer dan ik, ken je ze?” “Jazeker”, zei de kettinghond, “dat is een verliefd paartje. Zij zullen samen in een huis gaan wonen en op een bot gaan kluiven, waf, waf!” “Zijn zij net zo belangrijk als jij en ik?” Vroeg de sneeuwman. “Zij behoren tot de bazen”, zei de kettinghond. “Het is wel bedroevend zo weinig als jij weet wanneer je gisteren geboren bent. Dat merk ik aan jou. Ik ben oud en heb ervaring, ik ken iedereen hier. En er was eens een tijd dat ik hier niet aan de ketting in de kou lag”.

“De kou is heerlijk”, zei de sneeuwman. “Maar vertel!”

“Eens was ik een jong hondje, klein en koddig vond men mij. Ik was het troetelbeest van de bazen binnen. Ik lag in een stoel met pluche en kreeg kusjes op mijn snoet en mijn poten werden gewikkeld in geborduurde zakdoekjes. Toen ik groter werd gaven ze mij cadeau aan de huishoudster. Ik kreeg toen een plaatsje in het souterrain. Je kunt er net naar binnen kijken van de plaats waar jij nu staat. Je kunt precies in de kamer kijken, waar ik de baas was, want dat was ik bij de huishoudster. Daar was het nog gezelliger dan boven. De kinderen solden niet meer met mij en het eten was beslist beter dan vroeger. Er was bovendien speciaal voor mij een kussen en verder was er een kachel. En dat is in deze tijd van het jaar het fijnste dat je je maar kunt voorstellen. Ik kroop er meestal helemaal onder. Ik droom er nu nog dikwijls van. Waf waf!” “Een kachel? Hoe ziet zoiets eruit? Heeft dat iets weg van mij”, vroeg de sneeuwman. “Wel zeker! Wat dacht je eigenlijk wel? Een kachel is het tegenovergestelde van een sneeuwman, dat kon iedereen wel zien. Roetzwart is zo’n ding. Het heeft een lange hals met een koperen handvat aan het einde. Hij vreet zoveel brandhout dat de vlammen ervan uit zijn bek komen. Je moet er heel dicht naast gaan liggen dan kom je in een zalige toestand”, zei de kettinghond. Door het raam heen kan je hem zien staan van jou plaats af. De sneeuwman keek door het raam in het souterrain en daar zag hij de kachel staan, glimmend gepoetst met een sterke hals en een koperen handvat aan het einde. Van onderen kwam er vuur uit. “Hoe kon je haar verlaten?” vroeg de sneeuwman, die dacht dat de kachel een vrouwtje was. “Hoe kon je zo’n plaats nu verlaten?” De kettinghond schraapte zijn keel. Hij vertelde dat men hem uit de kamer had gesmeten en aan de ketting had gelegd omdat hij de kleinste baas in zijn been had gebeten. “De jongen pakte mijn bot af en ik dacht toen: hij een beentje dus ik ook een beentje. Van ellende ben ik toen mijn stem verloren, weg, weg”. Maar de sneeuwman luisterde al niet meer naar hem, hij moest almaar naar binnen kijken in het souterrain. Daar stond de kachel, groot en rond net als de sneeuwman zelf. “Wat kraakt het toch wonderlijk in mijn binnenste”, zei de sneeuwman. “Kon ik nu maar door het raam naar binnen naar dat kacheltje toe. Dat is toch een heel bescheiden wens, waarom zou die niet vervuld kunnen worden? Ik moet naar binnen, ik moet me tegen haar aan vlijen”. “Daar zal je nooit binnenkomen”, zei de kettinghond. “En als je ooit in de buurt van die kachel zou raken, dan bleef er niets van je over. Weg, weg !” De hele dag keek de sneeuwman door het raam naar binnen. In de schemering leek de kamer nog aanlokkelijker. De kachel straalde een gezellig vuurtje uit, zo gezellig als een kachel alleen maar branden kan wanneer hij wat te eten heeft gehad. De zon en de maan verbleken daarbij. Als ze daarbinnen het deurtje van de kachel open deden likten de vlammen naar buiten. Het scheen een gewoonte van hen te zijn. Hij gaf een rood schijnsel op het gezicht van de sneeuwman en ook zijn borst werd er rood van. “Ik houd het niet uit”, zei hij. “Wat staat het haar toch goed als zij haar tong uitsteekt”. De nacht duurde lang, maar de sneeuwman merkte het niet. Hij was verdiept in zijn eigen mooie gedachten en die waren zo mooi ijskoud dat ze kraakten. De volgende morgen stonden de bloemen op de ruiten, bloemen zo mooi, dat een sneeuwman ze in zijn stoutste dromen niet zou kunnen bedenken. Maar ze onttrokken de kachel aan zijn blik. Ook overdag ontdooiden de ramen niet en daardoor kon hij het vrouwtje, dat hij voor het liefste ter wereld aanzag, niet zien. Het kraakte en het kraakte in zijn binnenste en om hem heen. Het was werkelijk ideaal weer voor een sneeuwman! Maar hij leed aan kachelheimwee. “Dat is een ernstige ziekte voor een sneeuwman”, zei de kettinghond. “Ik heb het ook gehad maar ben eroverheen gekomen”. De dooi nam toe, de sneeuwman kwijnde weg. Hij zei niets, hij klaagde niet en op zekere dag was hij in elkaar gezakt. Uit het kleine hoopje sneeuw wat er was overgebleven stak een pin. Het was zijn houvast en zijn ziel. “Nu begrijp ik zijn kachelheimwee”, zei de hond. “De sneeuwman had een kachelpook in zijn lijf en die is gaan opspelen. Maar nu is het voorbij. Weg, weg,” blafte de kettinghond. En hij dacht niet meer aan de sneeuwman.

 

Wil je je laten voorlezen?

Dat kan.

Luister hier….

 

 


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *